Beste resolutie: 1024*768
startpagina
 
Productie
 
 

De druiventeelt

Ons serrebedrijf is ongeveer 3000m² groot en verdeeld in drie afdelingen. Hierdoor kan de oogstperiode vooraf bepaald worden en krijgen we een betere werkverdeling. De eerste werkzaamheden starten reeds onmiddellijk na de het oogsten van de druiven. De bodem in de serre wordt meermaals goed begoten met het regenwater dat via het dak in opvangputten werd verzameld. Dank zij dit doorspoelen vermindert de zoutconcentratie van de grond.
Eenmaal alles geoogst, starten we omstreeks half november met het manueel verwijderen van de verdorde bladeren die tot compost worden verhakkeld.

Als grondbedekking en bemesting wordt gebruik gemaakt van groencompost. Daar we een erkend biologisch tuinbouwbedrijf zijn moet een analyse van deze compost vooraf worden goedgekeurd door de controleorganisatie BLIK. Tijdens de groei kunnen nog andere goedgekeurde organische meststoffen toegevoegd worden.
Indien de druivelaar er noodzaak aan heeft kan er eventueel bladvoeding met sporenelementen (ijzer of boor) toegepast worden. Druivelaars hebben ook jaarlijks magnesium nodig. (kieserit)

Vanaf begin januari zal de middelste afdeling reeds vorstvrij gehouden worden, zodat er ook onmiddellijk kan worden gesnoeid. De druivelaar wordt kort teruggesnoeid, dwz dat iedere vruchttak teruggebracht wordt op twee ogen, eigenlijk twee bladeren ver. Tussen blad en stek is telkenmale een knop te zien. Omstreeks half januari zal de temperatuur in deze afdeling opgetrokken worden tot 15°C en tegen eind januari in de dag 20°C en 's nachts 18°C.Vanaf maart zal ook de eerst afdeling worden verwarmd tussen 18 en 20°C. Afdeling 3 wordt vanaf deze periode vorstvrij gehouden. Deze laatste afdeling wordt echter vanaf de zomerperiode op constante temperatuur verwarmd, om het rijpingsproces en de kwaliteit te verbeteren. Dank zij deze werkwijze kunnen we de eerste rijpe druiven omstreeks begin juli oogsten, en verder tot omstreeks half oktober.

Na een drietal weken verwarmen beginnen de knoppen te zwellen, en weldra zullen de eerste jonge blaadjes tevoorschijn komen. Van de twee uitgekomen scheutjes zal alleen de snelstgroeiende mogen blijven, de andere wordt vroeg weggenomen. De overgebleven sterke scheuten groeien snel door, er kan gestart worden met het verwijderen van de okselscheuten en het inhouden van de top. Meestal zal men de scheut inhouden op een viertal bladeren na de bloeiwijze. Al dit werk dient gebeurt te zijn voor de bloei, anders zal deze slecht verlopen.
Eenmaal de scheuten stevig en lang genoeg zijn kan men starten met het inbinden ervan. Ze dienen mooi verdeeld en geleid te worden, zodat er zich nadien overal blad bevindt. Zo wordt bij te sterke zonnestraling de tros hiertegen beschermen. Voor dit werkje maken we gebruik van duizenden wasknijpers.

Vanaf de tweede maand in groei komen we terecht in de meest belangrijke periode, namelijk de bloei. Tijdens de bloei veranderen de bloeiwijzen in de kleine druifjes. Om deze overgang te bevorderen speelt het klimaat een grote rol. Zowel luchtvochtigheid, verluchting, en verwarming gebeuren op het bedrijf computergestuurd om een optimale bestuiving te verkrijgen. De bevruchting kan versneld worden door het schudden van de druivelaars, vermits deze rassen zelfbestuivers zijn en dus tweeslachtige bloemetjes hebben.

Eenmaal de druifjes gevormd beginnen deze te dikken tot ze een kleine knikker groot geworden zijn. Op dat moment starten we met het meest geduldige werk:"het uitkorrelen". Hiermee wordt bedoeld dat alle kleine druifjes moeten worden weggeknipt, ook alle naar binnengerichte druiven en de overtollige druifjes die het doordikken van de anderen kunnen beletten. Het uitkorrelen of knippen gebeurt met een puntig schaartje, zittend op de kniptrap, druif na druif en tros na tros. Zo worden er in ons bedrijf ongeveer tienduizend trossen geknipt door gemiddeld vijf personen gedurende een zevental weken. Eenmaal de knip voorbij is ook de drukste periode achter de rug. De bodem moet nog geregeld begoten worden, de okselscheuten dienen verwijderd te worden, en langzaamaan beginnen dan ook de eerste druiven te kleuren.

Vanaf het verschijnen van de eerste gekleurde druiven moeten we meestal nog anderhalve maand wachten eer de eerste tros druiven te koop kan worden aangeboden. De volledige groeiperiode vanaf het verwarmen tot de oogst neemt ongeveer zes maand in beslag. Een half jaar lang verwarmen, verzorgen en constante controles uitvoeren op eventuele ziekten en kwalen. De druivelaars kunnen tijdens de groei te maken krijgen met verschillende ziekten,
o.a. : de meeldauw of witziekte, spintmijten, trips of donderbeestjes, trosrupsen van de fruitmot. Vermits onze druiven biologisch geteeld worden zijn we wat betreft gewasbescherming zeer beperkt. Voor preventieve of genezende behandeling van de meeldauw werken we enkel met zwavel. Deze kan gespoten, gestoomd of verstoven worden. Ook wordt er gebruik gemaakt van zwavelverdampers. Ter bestrijding van overwinterde spint wordt er bij het verschijnen van de jonge blaadjes gesproeid met kaliumzout (een zachte zeep).

Vanaf de bloeiperiode worden er duizenden nuttige roofmijten uitgezet op het gewas, die voornamelijk de eitjes en jonge larven eten van de spintmijt. Voor de bestrijding van trips wordt een ander soort van roofmijt uitgezet, maar dan meestal met tienduizenden. Het uitzetten zelf gebeurt met kweekzakjes of met strooibussen.
De meeste roofmijten worden tijdens de bloei in de serre uitgezet omdat sommige soorten ook het stuifmeel gebruiken als voedsel. Op natuurlijke wijze verschijnen er in de serre ook nieuwe wantsen en kevers die eveneens trips en spint gaan bestrijden. Het komt er dus steeds op aan te zorgen dat er een evenwicht komt tussen de nuttige en schadelijken insecten om de druivelaar in optimale omstandigheden te laten groeien.

Onze kwaliteitstafeldruiven worden ter plaatse te koop aangeboden, vers geknipt. Ze dragen het bio-garantielabel ( enig in de druivenstreek), hetgeen bewijst dat ze geteeld worden volgens de Europese normen in bio-teelt.